Als je denkt dat je een goede conditie hebt, loop dan maar eens even een middagje door Quito. Tjongeee… dat valt vies tegen op 2850 meter hoogte. Dat is toch 2857 meter hoger dan vanwaar wij komen en dat merk je… aan zeg maar alles. Toch denken we na 2,5 dag acclimatiseren klaar te zijn voor de eerste proef op de som: de Rucu Pichincha, een berg gelegen achter Quito. Met een kabelbaan word je al op 3900 meter afgezet, dus je hoeft zelf alleen maar de laatste 800 meter te lopen. MANMANMAN! Een slak is er niks bij. Elke stap is zwaar, elke ademteug is heftig en het voelt alsof er hier, dichterbij de ruimte, juist méér zwaartekracht is die me bruut naar beneden probeert te trekken. Ik bedoel natuurlijk ‘ons’, die ONS naar beneden probeert te trekken. Behalve dat het Jona uiteraard prima afgaat zo. Evenals onze Tsjechische metgezel die we in het hostel hebben opgeduikeld. Hij kletst er rustig op los en stelt volop vragen, terwijl ik geen pap kan zeggen en hem met m’n tong op m’n knieën aanstaar. Wat een asociale activiteit zeg, dat hiken op hoogte. Je kunt niet eens praten! Overigens is er nog weinig uitzicht ook, dus focussen op m’n eigen perikelen is extra makkelijk. Maar oké, eerlijk is eerlijk, het eerste stuk gaat nog best wel prima. Langzaam, maar niet slecht. Pas als de top in zicht komt, merk ik dat het echt nog niet gaat en ik haak op 50 meter voor het eind af. Jona voelt zich schuldig maar ik zeg hem toch naar boven te gaan. Dit is zijn ding. En ik lig hier prima een paar honderd meter lager als een soort stervende zwaan op hem te wachten. Er komen nog een paar hikers langs die fanatiek in het Spaans tegen me beginnen te praten. Señores, dit is NIET het moment. Zien jullie niet dat ik hier lig te overleven? En dan komt Jona alweer aangerend, met de Tsjech op z’n hielen. Ze hadden precies niks kunnen zien op de top, dus ik had niks gemist. En ook zij hadden inmiddels wel wat last gekregen van de hoogte, dus het lag niet aan mijn incapabele zelf. Én het is toch het hoogste punt dat ik ooit heb behaald! 4650 meter! Hoofdpijn, misselijk, maar toch ook wel trots.




De volgende dag is het tijd om Quito te verlaten. Op naar Otavalo in het noorden, waar ook een paar mooie meren te vinden zijn. Het was even een struggle om te bepalen waar we heen zouden gaan en één van de eerste conclusies van het samen reizen is al gauw getrokken: geen afspraken of plannen proberen te maken als iemand zich niet lekker voelt, honger heeft of iets anders mankeert. Dan gaat het mis. Dus na een nacht goed slapen, hakken we de knoop door en pakken een Uber naar het busstation. Nog geen 10 minuten later hobbelen we in een bus met megavering richting Otavalo. Een dramatische film met Halle Berry wordt gestart en het gedubde Spaans schalt door de bus. Helemaal goed! Otavalo is een gezellig druk stadje, dat bekend staat om z’n grote textielmarkt, waar vooral op zaterdag wordt uitgepakt. Maar we hebben op Maps twee tent icoontjes zien staan ten oosten van de stad, dus we gaan eerst kamperen.
De eerste nacht staan we voor 2 hele dollars in een soort nationaal park / reservaat waar een groot deel van de inheemse bevolking graag komt. Ondanks het feit dat we er kamperen, moeten we alsnog bij het toiletgebouw betalen. 15 cent zonder wc papier, 20 met. En ‘s nachts gaat het toiletgebouw dicht. Ik vraag enigszins voor de grap wat we dan moeten doen, als we zeg maar… moeten. Ze kijkt me lang en schaapachtig aan zonder iets te zeggen en ik trek daar de nodige conclusies uit. Het is wel echt schitterend hier! Erg idyllisch. Op onze wandeling naar de waterval komen we niet alleen twee nietsvermoedende lama’s tegen, maar belanden we ook bijna in een soort cleansing ritueel in een grot. Twee mannen met lange zwarte paardenstaarten vragen Jona of hij limpia is en zo niet, of hij dan gereinigd wil worden. Ik had dit dus heel graag willen zien, maar het voelde toch een beetje alsof we iets bijzonders zouden verstoren, dat we toch niet helemaal serieus zouden nemen. Dus zijn we maar gaan eten in het inheemse restaurant. We krijgen geen mes en Jona moet zijn vis zien te ontgraten met alleen een vork. Mijn hele bord ligt vol met van alles en het smaakt allemaal precies nergens naar. De waterige ketchup die we erbij krijgen, maakt het zo mogelijk nog minder smaakvol. Maar goed, we zijn weer een ervaring rijker en hebben de lokale bevolking gesponsord.





Voor de tweede nacht in de tent lopen we naar het meer verderop: Lago San Pablo. Hier mogen we in de achtertuin van een hotel staan. Prachtige plek weer! De hostess geeft alleen aan dat er geen douche is en ik vind dus dat we na deze nacht wel weer naar een hostel mogen gaan. Maar eerst morgen nog even de vulkaan op. Na 500 meter lopen, voel ik echter een rare borrel in m’n buik en besluit dat het een beter idee is bij de wc in de buurt te blijven (correct). Jona heeft nergens last van en gaat in z’n eentje op pad. Ik speel de rest van de dag het tragikomische spel: ‘aan welke kant komt het eruit?’ en ik hang met mijn darmen wat rond bij de tent, wachtend tot Jona terugkomt en we naar een hostel in Otavalo kunnen gaan. Jona had zich alleen een paar keer vergist in zijn hike van 4 uur, en kwam na bijna 8 uur terug: 5000 calorieën lichter en volledig onder het stof. Een soort wildeman. GELUKKIG. LET’S GO, want ik wil dolgraag op een toilet zitten die ik niet hoef te delen met de rest van het hotel.


We strompelen nog net niet het hostel in Otavalo in: ik ziek, hij zwetend en stoffig. Bij de receptie geef ik aan dat ik een reservering heb. De vrouw vraagt niet om mijn naam, neemt ons mee naar een kamer en laat ons daar zonder enige toelichting (of sleutel) achter. Oké? We douchen allebei en gaan dan voor pampus op bed liggen. Gebeuk op de deur. Een andere vrouw, die van het driftige en onredelijke kaliber, staat voor de deur en roept dat dit NIET onze kamer is en dat we NU naar boven moeten. ARIBA! Nou ja, zeg. Doe effe normaal. Wij zijn hier ook maar gewoon gedropt. Schoorvoetend beginnen we onze bende weer bij elkaar te rapen, want we hadden de kamer al in recordtempo volledig bekleed met de, al dan niet stinkende, inhoud van onze backpacks. Een paar minuten later komt Ms Trunchbol (Mathilda, anyone?) terug met de wifi-code, een sleutel en een onherkenbare, poeslieve glimlach. We mogen toch blijven. Géén probleem zelfs! Aangezien we ongeveer de enige gasten zijn in het hostel, vind ik de 180 graden switch in gastvrijheid een verstandige keuze van haar.
De dagen die volgen zijn niet om over naar huis te schrijven, dus schrijf ik het hier maar. Want jawel, Team WeJo heeft het binnen een week voor elkaar om een voedselvergiftiging op te lopen! Driewerf hoera! De boosdoener is zeer vermoedelijk een salade geweest, die ik met alle goede bedoelingen had besteld (meer groente!), maar die achteraf natuurlijk de grootste rooky mistake was die ik had kunnen maken. Na zijn lange hike heeft ook Jona er alles aan alle kanten nog uitgegooid wat erin zat en de dag erna liggen we samen ziek, zwak en misselijk op bed met regelmatige tripjes naar de wc, die meer heeft gezien dan dat ik een wc toewens. Al hoop ik ergens dat Ms Trunchbol ‘m straks mag gaan schoonmaken.
Ondanks de misère presteren we het om even een rondje over de markt te doen. Helaas niet op de zaterdag, want dat was het hoogtepunt van het dieptepunt op het gebied van lichamelijke vloeistoffen. Maar toch even geweest! En de dag erna lijkt het tij helemaal gekeerd en gaan we vol optimisme richting Laguna Cuicocha, een kratermeer waar je in 12 km een mooie hike omheen kunt maken. Er gaat niet echt een bus direct naartoe en terwijl we proberen uit te zoeken hoe we er gaan komen, worden we natuurlijk ongevraagd geholpen door heel Otavalo. Dat resulteert in een ritje achterin iemands truck, waarvan we dan maar hopen dat hij weet waar we heen willen. Dat weet hij gelukkig en uiteindelijk moeten we aan hem hetzelfde bedrag betalen als we aan een normale taxi waren kwijt geweest. Maar goed, we zijn er! Mijn filosofie van vandaag is: als je niet veel eet, kan er ook niet veel uitkomen, en dat blijkt waar te zijn. De hike begint met omhoog lopen en confronteert ons met onze zwakte en ellende van de afgelopen dagen, maar naarmate de dag vordert, voel ik me topfit. Het meer is mooi, het gezelschap is leuk en zodra we klaar zijn met het rondje, regelen we een lift met een duur uitziende metroman en zijn in bont gehulde vrouw. Met nog een andere vrouw naast ons in de auto zou je kunnen stellen dat het vol is, maar halverwege komt er nog een man + kleuter bij op de achterbank. Dat kan gewoon!



Aiiii te vroeg gejuicht! Na een burger te hebben verorberd, ben ik helaas weer terug bij af, en terug bij de wc. Ook Jona is er nog niet helemaal bovenop, maar we hebben toch maar besloten uit Otavalo te vertrekken. Misschien kunnen we daar onze ellende achterlaten en fris beginnen in Mindo. Op naar meer natuur en hopelijk minder kotsen!

Hoi Lieverds, Natuurlijk had ik via je moeder al gehoord in welke bak ellende jullie terecht waren gekomen.Hopelijk zijn jullie daar voor de rest van het jaar vanaf. Het uitzicht is daar wel prachtig en zo gezellig als je de plaatselijke fauna tegenkomt.(lol) Al met al,Het is weer een prachtig verhaal en ik wacht met smart op het volgende. Lieve groetjes Carla enne………………GENIET.
LikeLike
Oh oh wat een nare ervaring maar met 2 positivo’s als jullie laten jullie dit snel weer achter jullie en genieten weer met volle teugen. Veilige maaltijden gewenst en we kijken weer uit naar de volgende episode 😉 Kusss van ons x
LikeLike