Daar gaan we weer! Op een schappelijk uur in de ochtend staan we in de beruchte Schiphol-rij. Na het inchecken slingeren we rijendik nog vele malen door diezelfde ruimte, via buiten weer terug naar binnen en dan eindelijk met de trap omhoog richting de douane. We hebben geen tijd meer om te shoppen voor onze vlucht vertrekt, maar daar zijn we toch te goedkoop voor. Over goedkoop gesproken, de vluchten naar Nepal vanuit Nederland waren dat geenszins en dus hebben we het internet afgestruind tot we een mooie deal vonden: met een pakketreis van Corendon gaan we naar Istanbul en blijven daar vier nachten in een hotel. De bijbehorende terugvlucht missen we voor het gemak even en na die vier dagen vliegen we naar Kathmandu voor een prikkie. Top! We waren allebei nog nooit in Istanbul geweest, dus een paar dagen ons volstouwen met kebab klinkt als een topidee.

De vlucht is prima, ik kijk een zielige film, we krijgen lekker eten en we landen op de afgesproken tijd. Onze tas ligt als eerste op de band (letterlijk alleen onze slaapzakken en wandelstokken zitten erin, want blijkbaar gelden die laatsten als wapens in de handbagage) en we pakken een taxi naar de stad. De chauffeur is zoals verwacht een kamikazepiloot en scheurt ons over de Turkse wegen, terwijl hij vertelt dat hij zo graag naar Amsterdam wil naar de Red Light District, en dat als hij daar is hij dan wenst even niet getrouwd te zijn. Oké vriend!
Ons hotel ligt in de winkelbuurt genaamd Laleli, om precies te zijn tussen kitch… en kitch. Alle winkels hebben gouden gevels en marmer-achtige vloeren en etaleren de meest groteske jurken en gewaden. Ik zou werkelijk geen enkele gelegenheid kunnen bedenken waarop ik deze schreeuwerige, felgekleurde, met glitters en/of veren bedekte verschrikkingen aan zou trekken. Dat schijnt nogal een persoonlijke mening van mij te zijn, want er wordt goed geshopt: vrouwen en mannen komen met enorme tassen vol meuk naar buiten. Het hotel waarin we verblijven kent hetzelfde gouden exterieur, maar we merken al snel dat deze ‘luxe’ uitstraling zich beperkt tot de lobby. Onze verdieping is bekleed met smoezelig tapijt en het behang is vergeeld. Het ‘vergane glorie’ te noemen is zacht uitgedrukt. Het tapijt en behang beweegt gezellig met ons mee tot in onze kamer: een muf hok met een klein bed, een bedompte badkamer en uitzicht op… niks. Het zwembad dat online geadverteerd werd, lijkt ook niet te bestaan. Maar hey! We zijn er en het ging tot dusver allemaal erg soepel. Op naar het eten!

Jammieee… Kebab, döner, dürüm, iskender, turkse pizza, baklava, turkish delight. Alles is zo lekker! En veel! En vet! Ik merk dat m’n broek elke dag een stukje strakker gaat zitten: goed stapelen voor de Nepalese bergen. Als we die nog opkomen nu we ons allebei een dikke pad voelen.



We kunnen natuurlijk niet alleen maar eten in Istanbul (Ahh waarom niet? Dürüm niet.) dus gaan we de volgende dag braaf mee op een free walking tour. Het is prachtig weer en we zijn duidelijk niet de enigen: het plein waarop de tour begint, staat vol met toeristen met camera’s om de nek, zonnekleppen op en selfiesticks in de aanslag. Heerlijk. De tour zelf vind ik niet zo, maar dat komt vooral doordat we ruim een uur voor de grote Hagia Sofia moskee moeten wachten om erin te mogen. Na 10 minuten binnen worden we er vervolgens weer uitgeveegd, omdat het gebed begint. Wel heel tof aan deze moskee is dat het ten tijde van het Romeinse Rijk, toen Istanbul nog Constantinopel (is een mooie stad, daar lopen de meisjes in hun blote ga…) heette, een Christelijke kerk is geweest. Toen Turkije een overwegend Islamitisch land werd, is gelukkig besloten niet de kerk te slopen, maar ‘m om te bouwen tot moskee. Omdat er in een moskee geen afbeeldingen van religieuze figuren zichtbaar mogen zijn, werden de beelden en mozaïeken van Moeder Maria, kindje Jezus en alle engelen overgeverfd. Later, toen de moskee opengesteld werd voor publiek als museum, werden deze weer onthuld en bewaard. Inmiddels doet Hagia Sofia weer dienst als moskee (make up your mind, Istanbul), en worden de afbeeldingen tijdens de diensten afgeschermd met een wit doek. Heel bijzonder want zo leven de twee religies in één zeer imponerend gebouw toch in harmonie. Is dat even leuk? Is mijn blog ook nog eens een keer informatief!


Verder wil ik graag de stad complimenteren met de manier waarop straathonden en -katten worden behandeld. In tegenstelling tot die arme, schurftige scharminkels in Zuid-Amerika, zitten de meeste dieren in het centrum van Istanbul lekker dik in hun vel en zijn ze over het algemeen erg vriendelijk. De gids van onze tour legt uit dat dit komt doordat er goed op de populatie wordt gelet en dat ze met regelmaat reutjes en katertjes castreren om pluizige overbevolking te voorkomen. Perfect! In Zuid-Amerika hoef je niet aan te komen met zo’n plan, dat gaat volledig tegen de machocultuur in. Een hond zonder ballen? ONGEHOORD. Maar hier zijn de dieren gewoon deel van het straatbeeld en vinden mensen het oprecht leuk om ze te zien. En ik word persoonlijk ook erg vrolijk als ik een goedgemutste viervoeter tegenkom in zo’n drukke stad.
Ik ben erg trots op onze culturele benadering van deze gigantische stad (20 miljoen inwoners!). We gaan namelijk behalve op de wandeltour, ook nog naar een museum! Wow! De twee mensen voor ons gappen precies de laatste koptelefoons voor de audiotour weg, dus nu lopen we een beetje verdwaasd door het museum van Archeologie. Sarcofagen, stenen, munten, beelden. Met de audiotour zal het vast een heel samenhangend geheel en interessant museum zijn geweest, maar voor nu doen we maar gewoon alsof we precies begrijpen of de grafsteen uit het Byzantijnse, Romeinse of Ottomaanse rijk dateert. Om nog maar te zwijgen over van welke belangrijke hotemetoot dat ding mag zijn geweest. Verder gaan we nog mee op een boot over de Bosphorus, de waterstraat die het Europese deel van het Aziatische deel van de stad scheidt. En dat was het wel. De tocht kan ik zeker niet als noemenswaardig omschrijven, maar we zijn weer even buiten geweest. We hebben onze kebab weer verdiend.




Na een hoop gehannes met taxichauffeurs die ons een oor aan proberen te naaien, laten we uiteindelijk een Uber komen die ons naar het vliegveld brengt. Ik denk werkelijk dat deze man zijn rijbewijs bij elkaar heeft gespaard bij Bakkerij ‘t Stoepje. Elk stukje van de rijbaan benut hij ten volste, ook als dat betekent dat we ineens een rijstrook met een andere auto delen. Past wel joh. Met een noodvaart racen we naar het vliegveld, een rit die volgens mij normaal gesproken twintig minuten langer had moeten duren én die me niet vijf jaar van m’n leven had moeten kosten. Pfoe, blij dat we er zijn.
Ons ‘ticket voor een prikkie’ naar Kathmandu hebben we geboekt bij Air Arabia. Onze pilootvriend Rik laat ons voor de vlucht nog even weten dat hij noooit met Air Arabia zou vliegen, zelfs niet als hij geld toe zou krijgen. Top! Nou ja, we zien het wel. Spoiler: hij heeft zeker een punt. Onze eerste vlucht begint veelbelovend wanneer we zonder aanleiding extra beenruimte toebedeeld krijgen. Winst! Omdat we om 17.00 uur vliegen, wachten we gedurende de vlucht hongerig op ons alluminiumbakje prut. Dit blijkt echter niet inbegrepen! Excuse me?! Om nu een tientje te gaan betalen voor een kleffe maaltijd gaat ons te ver, dus van ellende eten we tijdens onze overstap op Abu Dhabi daarom maar bij de Burger King om 23.30 uur. Maar dan. De tweede vlucht zou sowieso al een pittige worden omdat we middenin de nacht vliegen én, vanwege het tijdverschil, ook in de nacht aankomen. Geen extra beenruimte bij deze vlucht helaas, en ook heb ik een zéér enthousiaste Nepalees achter me zitten die het de hele tijd nodig vindt om op de staan, aan m’n stoel te trekken, te wiebelen of z’n knieën in m’n rug te beuken. Ik ben inmiddels, middenin de nacht, bloedje chagrijnig en wil me het liefst omdraaien en hem een pets op z’n hoofd geven. Laat me slapen! Ook blijft het licht de hele nacht aan, dus het is net alsof ze ons wakker wíllen houden. En dan… om half 3 wordt er ineens eten geserveerd! Het is verdorie middenin de nacht! En waar was ons eten op de vorige vlucht? Je weet wel, op normale eettijden? Oké… ohm… zen…
Je kunt je waarschijnlijk wel voorstellen met wat voor een hoefijzerbek ik vroeg die ochtend het vliegtuig uitstap. Op de luchthaven moeten we eerst nog in de rij voor ons visumaanvraag. Dit hadden we absoluut kunnen doen in al die weken dat we wisten dat we hierheen gingen, dus het is die incapabele man vooraan bij de visumautomaat niet helemaal te wijten dat we daar ongeveer een uur staan te wachten. 125 dollar per persoon later en we mogen officieel 90 dagen in Nepal blijven. Hoera! Tijdens het juichen word ik nog tegengehouden door een mannetje bij de douane. Met zijn guitige kop kijkt me grinnikend aan. ‘You have gold.’ Het is geen vraag. Hij wijst op zijn scherm en gebiedt me te komen kijken wat de scanner heeft opgepikt in mijn tas. Gold? Ik weet van niks. Op het scherm zien we een vierkant, zwart ding en de guitige man blijft ernaar wijzen. ’You have something. You have gold!’ – ‘No, I wish,’ zeg ik, naarstig bedenkend wat dit ding kan zijn. De tas uitpakken dan maar. Helaas, geen goud. Wel de loden Heilige Christoffel van m’n opa, die al het hele jaar met me mee reist en nog nooit onderwerp van discussie is geweest bij de douane. ‘Ah, you not rich,’ zegt het mannetje, met dezelfde grijns. Nee, dat wist ik al.
Ahhh… een nieuw land, een nieuwe discussie met taxichauffeurs over hun tarieven. Gluiperds zijn het ook overal. Jona is voor de vierde keer in Nepal en dus mijn gids en prijsexpert. Uiteindelijk stappen we toch maar in een taxi, ondanks een verdubbeling van de prijs ten opzichte van drie jaar geleden. Nog steeds kost het hier natuurlijk geen drol, maar toch. In Nepal wordt links gereden, maar in Kathmandu rijden ze ook rechts en midden op straat terwijl ze scooters, motoren, fietsers en voetgangers, die ook allemaal maar wat doen, trachten te ontwijken. We komen aan bij Shantipur Hostel en worden verwelkomd door een bericht dat de receptie zich op het dakterras bevindt. Vijf trappen omhoog en daar zitten we dan, aan het zicht onttrokken van een drukke stad. In de verte horen we honden blaffen, auto’s toeteren, mensen die rochelen en zich een slag in de rondte spugen. Goor. Fijn om even van een afstandje te wennen aan deze nieuwe wereld. We kletsen wat met de Australische Will, drinken een koffietje en mogen dan gelukkig al inchecken. De kamer is klein, maar kleurrijk en heeft een balkon, waar vanaf we uitkijken op de nog niet bestaande isolatielaag tussen het hostel en het gebouw ernaast. De wc delen we niet alleen met de andere hostelbewoners, maar ook met de douche, die er precies boven hangt. Elke dag is er op een niet te voorspellen tijdstip even geen water en het is nooit helemaal duidelijk of het nog opgelost wordt die dag. Dus steeds als we na een periode van droogte weer iets horen stromen, vullen we maar gauw onze flessen. Ergens is het maar goed dat we al in Turkije waren geweest, bij wijze van overgangsfase vanuit onze verwende, comfortabele leventjes thuis.

We hebben drie nachten geboekt in Kathmandu, eigenlijk met name zodat we ons ook hier rond kunnen eten (ik bespeur een thema). In de jaren dat ik Jona ken, heeft hij het nog net niet wekelijks over het wonder dat momo’s heet. Momo’s, de befaamde dumplings, gevuld met verschillende soorten vlees, groenten, kaas of zoetigheid. Dus nu we dan eindelijk in het beloofde land zijn aangekomen, gaan we ons daaraan te buiten, en echt voor een schijntje. Voor honderd roepies kun je zo’n tien momo’s krijgen. Dat is nog geen euro! Ik begrijp nu waarom Nepal Jona’s favoriete land is 😉


Naast overdadig eten bezoeken we de Monkey Temple, waar, je raadt het al, apen zijn. Ik scoor nog snel een sjaal om mijn vuige knieën te bedekken voor Boeddha en dan beginnen we aan de klim naar boven. 365 treden met stupa’s, gekleurde vlaggetjes en apen ter afleiding. Eenmaal boven gekomen, wordt de stupa omringd door winkeltjes waar allerlei snuisterijtjes worden verkocht. Normaal zijn we daar niet zo snel voor te porren, maar nu valt ons oog op een mooi schilderij en we besluiten deze toch te kopen. Het mannetje, en tevens kunstenaar, is zó blij met zijn verkoop dat hij het aan al z’n vrienden vertelt en mij gratis koffie geeft. Het ding is op zich ook zo’n twee meter breed, dus voor hem is dit waarschijnlijk een maand huur. Wij moeten vooral een groot genoeg huis gaan kopen volgend jaar, zodat we ons schilderij ook daadwerkelijk op kunnen hangen.




Het leven in het hostel is zoals vanouds: een select groepje dat hier al dagenlang huist, hangt lamlendig op het dakterras, rookt wiet, heeft een overdaad aan okselhaar en praat de hele dag over de dingen die ze hier al dan niet gaan doen. Ik kan me gewoon niet meer goed voorstellen dat ik me ooit ook onder dit schorriemorrie bevond en urenlang met ze kon ouwehoeren over niks. We besluiten dan ook dat we als asociale dertigers lekker op onze kamer chillen en op tijd naar bed gaan, zoals het echte bejaarden betaamt.

Onze laatste dag in Kathmandu is een regeldag. Tussen de drukte van het verkeer en het gespuug van de mensen (noem het cultuur, maar man, wat is dit goor) bewegen wij ons naar verschillende winkeltjes om inkopen te doen voor onze trektocht in de Himalayas de komende weken. We boeken de jeep die ons naar Salleri zal brengen, kopen snaaaacks, thermosflessen en microspikes om mee op de gletsjer te lopen. We eten nog één keer heel veel goedkope momo’s met twee kennissen uit Nederland en gaan dan vroeg naar bed. Om 4.00 uur staat de wekker, en ja, ik vraag me alweer af wat we onszelf aandoen.

Weer in één adem genoten van jouw schrijverstalent! Volgens mij kan jij een verhaal over een 2 paperclips nog interessant maken maar (om met jouw woorden te spreken) man, man ik zat er helemaal in! Van de rijstijl van de taxichaffeurs tot de bizarre vlucht en van het verhaal achter de moskee naar de kebab 😉. Lieve Wendy en Jona, mooie herinneringen maken en stay safe! Liefs van ons ❤️
LikeLike
Heerlijk om te lezen!
Ik mis wel 1 ding: een foto van het schilderij wat jullie hebben gekocht!
LikeLike