Nepal

Verloving, Voeten & Vliegtuig

Heb je haar wéér… Ik weet het, maar er is zo lekker veel te vertellen en ik liep natuurlijk nogal achter op de feiten hier in Nepal. Verder bereiden wij ons voor op een tweede tocht in de Nepalese bergen en daar duiken we weer de anonimiteit en onbereikbaarheid in. Dus wen maar niet aan deze frequentie in blogs 😉

Dat gezegd hebbende… WIJ ZIJN VERLOOFD! Ik geloof dat ik zo mijn vorige verhaal eindigde (ook al is het natuurlijk voor ons als stel pas het begin… ahhhhh). In Dragnag zitten we die avond bij de kachel en ik pronk met mijn verlovingsring tegen niemand in het bijzonder. Jona heeft een heel mooi exemplaar uitgekozen (LOVE IT!), maar had geen rekening gehouden met de mini vingertjes die ik blijkbaar heb; om m’n duim zit de ring op het moment het beste. Nu zou ik ‘m toch niet zo hier in de bergen dragen, want ik ben veel te bang dat ik hem beschadig aan een rots. Dus zo ‘s avonds bij de kachel mag hij buitenspelen.

Verder vind ik het feit dat we geen wifi hebben gehad en het heugelijke nieuws nog niet hebben kunnen delen, heel frustrerend, maar ergens ook wel leuk of zo. Het is nog even ons geheimpje. En dat van de vreemden naar wie ik het uit blijdschap heb geschreeuwd. Dus nu zijn we gewoon lekker elkaar ‘verloofde’ en ‘aanstaande’ aan het noemen en stiekem al het één en ander aan het bedenken voor onze BRUILOFT AAHHH! Kun je merken dat ik het héél leuk vind?

Maar verloving of niet, we zijn nog steeds in de bergen en er moet nog altijd gelopen worden. De volgende dag staat Cho La op de planning: een bergpas van ruim 5400 meter hoog met daar achteraan een gletsjer. Bluh. We weten inmiddels allemaal hoe goed ik met sneeuw en ijs omga, dus daar kijk ik nog niet naar uit. Wanneer we het ontbijt voor de volgende ochtend bestellen, vraagt de eigenaresse van de hut zoals gewoonlijk hoe laat we deze willen nuttigen. ‘7 o’clock?’ – ‘Oh, very late, you go earlier. Some people go in dark with headlights for pass’. In het donker? Dat is dus vóór 5.00 uur… Pff. Ben je helemaal betoeterd? Door haar strenge blik vervroegen we ons ontbijt schoorvoetend naar 6.30 uur, maar verder bekijkt ze het maar. We horen wel vaker mensen in het holst van de nacht vertrekken, maar tot nu toe zijn wij zelfs op de lange dagen nog altijd prima op tijd weer op de bestemming aangekomen. Dus m’n hoela, we zien het wel en wij slapen uit.

Havermoutje erin en gaan. Het eerste uur bibberen we in de schaduw door de vallei omhoog. De waterval die naar beneden stroomt is deels bevroren, dus dat geeft wel aan hoe koud het ongeveer is. Het water dat nog stroomt, probeert zich verwoed een weg naar beneden te banen over de ijzige en rotsige ondergrond. De grond knispert onder onze voeten en we kijken geschrokken op als we ineens een grote groep bruinige vogels zien wegrennen. Het zijn eigenlijk een soort dikke ganzen met een korte nek: lekker vol in hun verenvacht en supergecamoufleerd tegen de rotsachtige achtergrond. Wel heel schattig en ik neurie de rest van het uur Nils Holgerson. Soms kom je tijdens het lopen, en zeker in de vroege ochtend, in een soort meditatieve staat terecht, waarin je heel lang dezelfde twee zinnetjes van een lied kunt herhalen (vooral omdat je de rest van de tekst niet kent), zonder dat het verveelt of dat je ergens anders aan denkt.

Langzaam prikt het zonnetje door en mogen de lagen kleding weer uit. Ondanks de aangename temperatuur valt het me toch weer vies tegen. Gokyo Ri ging hartstikke goed gisteren, maar deze pas is ineens toch weer hartstikke zwaar. Natuurlijk is het extreem hoog en heb ik mijn tas weer op, maar ik had stiekem gehoopt dat het minder heftig zou voelen als Renjo La. Helaas pindakaas. Op het laatste deel omhoog lopen we opeens in de file. Hele groepen mensen, inclusief de groep die vanochtend om 5.00 uur vertrokken was (!), lopen als mieren achter elkaar aan om de pas over te gaan. Het is heel erg steil en er is ook een hoop verkeer vanaf de andere kant. Steil omhoog is naar mijn mening nog altijd beter dan steil omlaag, want ik haat het om te kijken naar afgronden (ik heb ook een bloedhekel aan het schommelschip in pretparken). Hier zijn ook een hoop losse stenen en meer dan eens glijdt iemand weg over het gruis. Niet dat je gelijk tepletter valt uiteraard, maar alleen het onbeheerst op je billen knallen, vind ik al genoeg reden mezelf zó hard vast te houden en zó langzaam te gaan, dat ik bijna achteruit ga. Maar goed, in dit geval gaan we naar boven en dat is beter. Ik vind het dus echt weer HEEL zwaar, maar als ik om me heen kijk en mensen zie hyperventileren en/of huilen, zie ik weer kans tot relativeren.

Vanaf Cho La pas kijken we uit over een groot, besneeuwd oppervlak met kleine poppetjes die in een spoor er dwars overheen wandelen. De gletsjer ziet er vanaf deze kant gelukkig niet zo eng uit en we ontspannen even met een broodje ei bovenop de pas. Het is erg druk en de één na de andere puffende hiker komt met tong op de knieën boven. Je wordt er niet knapper van zo. Nou, laten we het er dan maar op wagen met die gletsjer. Na een klein stukje op de rotsen naar beneden (gelukkig niet half zo steil als aan de kant waar we boven kwamen), komen we bij de sneeuw. Help. Gelukkig hebben we microspikes gekocht en ik voel onmiddellijk dat ik meer grip heb, hoewel ik natuurlijk nog steeds mezelf nauwelijks vertrouw. Voetje voor voetje schuifel ik als een luiaard over de supergoed begaanbare gletsjer. Aan alle kanten worden we ingehaald door mensen zonder spikes of wandelstokken, MAAR TOCH. GEEF ME EVEN. Tien minuten later trekken we onze spikes weer uit en zelfs ik moet toegeven dat dit echt wel een makkie was. Jona (mijn verloofde, haaa) blijft ook herhalen dat ik echt al veel meer heb gedaan en veel erger gewend ben inmiddels, maar ik omarm hierbij absoluut mijn innerlijke schijtebroek.

Vanaf de andere kant… brrr

In de paar uur daarna lopen we een heel eenvoudig pad naar beneden naar Dzonglha. Hoewel ik blij ben dat we het weer hebben gehaald, ben ik tot de conclusie gekomen dat ik het niet meer zo leuk vind, zo hoog allemaal. Het is echt MEGAmooi en wat we zien is ongeëvenaard, maar we zitten inmiddels een week boven de 4500 meter en dat vergt zijn tol. Aan het gebrek aan zuurstof wen je op een gegeven moment: je acclimatiseert en je hebt geen last meer van je hoofd of te veel ademnood. Wel slaap je er wat minder vast door en je verliest ook beetje bij beetje je eetlust, wat heel onhandig is als je 2500 calorieën per dag verbrandt met hiken. Op een champignonnensoepje zou je eigenlijk niet een bergpas over moeten gaan, maar ik deed het wel. En dan is er nog de kou: na een tijdje gaat dat toch een beetje in je botten zitten of zo. Het grappige is dat ik dacht dat ik het gedeelte bij de hut, lekker warm bij de kachel met een boek het allerleukst zou vinden aan de huttentocht, maar in werkelijkheid is dat moment het lastigste. Niet het lopen, het lopen gaat verrassend goed! Maar het moment dat de zon weggaat, je al in je dikke trui zit en je voeten warm probeert te houden voor de kachel aan gaat. En als de kachel dan aan is, dat je er niet te dichtbij moet gaan zitten, want dan staat je hoofd ineens in de fik én je ademt te veel yakpoeprook in. Het is een beetje alsof je je bij een kampvuur warmt terwijl het vriest. Echt dat lekkere, comfortabele warm word je niet, maar zeer lokaal word je wel extreem warm. Nou ja, dat dus. Mijn Hollandse verwende zelf vind dat moeilijk, maar is tegelijkertijd wel al gewend aan de gasloze winter in Nederland straks.

Ik weet zéker dat iedereen reuze benieuwd is naar mijn voeten en hoe ze gedijen op deze nieuwe tocht. Nou, leuk dat je het vraagt: eigenlijk echt heel goed! Na de PCT was ik erg nerveus over de staat waarin m’n voeten zich toen bevonden: opgezwollen, kapotte hielen, gebroken eelt, al dat soort gezelligheid. Ze waren letterlijk zo dik en opgezet dat ze nauwelijks nog in m’n bergschoenen pasten en dat vond ik wel een beetje jammer. Deze zomer zijn ze met behulp van wat crèmetjes en niet 30 km per dag lopen weer poezelig geworden en ik hoopte dat we in Nepal gewoon weer met een schone lei konden beginnen. In Istanbul en Kathmandu liep ik voor het eerst weer op m’n bergschoenen en ik voelde tot mijn schrik weer dat mijn hakken gevoelig werden. Mijn zooltjes leken ook al helemaal versleten en er waren hele happen uit, ook al heb ik ze dus nog geen jaar. Jona inspecteerde ze even nauwkeurig en kwam toen tot de conclusie dat de zooltjes vol zaten met minuscule steentjes en gruis: ik ben een beruchte stenenverzamelaar in m’n schoenen (zelfs op een normale stoep weet ik nog een steentje in mijn schoen te krijgen, die ik er dan weer uit moet vissen). Zo ook op de PCT natuurlijk, waar ik de helft van de tijd muggen probeerde te ontwijken en de andere helft m’n schoenen aan het leeggooien was. De keren dat ik dat niet deed, heb ik de steentjes dus zover m’n zool ingetrapt dat ik letterlijk mijn zool ermee heb GEASFALTEERD. Ik loop dus al die tijd al op een zool van gruis en steen. Jeeeeeetje. Wat ongelofelijk gek dat ik zulk belachelijk pijnlijke voeten heb steeds. MANMANMAN. Oplossing: nieuwe zooltjes gescoord in Namche Bazaar en sokken over mijn schoenranden gerold en er is NIKS AAN DE HAND. Wat een dombo ben ik. Wie wéét hoeveel meer ik dan had genoten van de PCT?! Nou, dat was het voetverhaal dus: ik loop nu heerlijk, heb nog geen blaar en ik ben een dombo. Wie heeft er nog vragen?

Dusss… wij gaan naar beneden! Het oorspronkelijke plan was dat we nog naar Everest Basecamp en Kalla Patthar zouden gaan en dan via de laatste pas, Kongma La, terug naar beneden. EBC, zoals ze het hier noemen, is uiteraard de populairste trek en wordt MEGAdruk bezocht. Zodra je het pad kruist met de mensen die allemaal in grote groepen precies dezelfde hutten bezoeken op weg naar deze iconische plek, merk je dat meteen. Behalve dat je dus nooit het gezellige, knusse en local gevoel krijgt zoals wij dat bijvoorbeeld in Thame hadden, worden de prijzen ook nog eens astronomisch opgekrikt in de dorpjes die op de EBC-trek liggen. Waar je in Kathmandu 200 Roepie betaalt voor een dal bhat, dat in Thame 500 is, is het op de EBC-trek 1000 Roepie of meer. Ja hoi. Eigenlijk hebben we daarom al heel snel besloten deze trek te mijden. De laatste pas, Kongma La gaat nog over ruim 5500 meter en nu we in deze vallei eigenlijk dus geen plannen meer hebben, besluiten we gewoon vanaf Cho La, via Dzonglha af te dalen. Omdat dit geen gebruikelijke route is, komen we nog even wat verschillende landschappen tegen: van de rotsachtige bergomgeving naar bomige bosjes langs een meer, tot een soort niemandslandje van diverse rivierstroompjes, waar ik Jona’s hand moet vasthouden om ze over te steken zonder in het water te glijden. Dat zou toch jammer zijn. Pff, daar in de verte zien we dan eindelijk het dorpje Pheriche. Alsof we onderweg naar Mordor zijn. Behalve dat ik mijn ring natuurlijk niet kwijt wil!

In de hut in Pheriche is het rustig. We kletsen met de Britse Elliot en eten yak steak: niks bijzonders, eerlijk gezegd, maar we wilden het toch proberen. De volgende dag ontvluchten we de enige andere persoon in de hut (een vieze, rochelende Amerikaan die vannacht de wc heeft verstopt) en gaan op weg richting Namche. We lopen snel, komen over de EBC trek enorm veel mensen tegemoet, via Panboche en Thengboche naar beneden. En weer omhoog, want man, wat een PUDs. Die nacht slapen we in Sanasa, zo’n 5 km verwijderd van Namche Bazaar, waar we de volgende dag al vroeg aankomen. Op de wifi zien we dat de wereld nog niet is ingestort (je weet maar nooit als je zo geïsoleerd hebt gezeten), maar het is ook nog te vroeg in de ochtend om mensen te gaan bellen over onze verloving. Het is inmiddels al drie dagen geleden dat Jona me heeft gevraagd zijn vrouw te worden en IK WIL HET VERTELLEN! Wat een ongekend lange geheimhouding voor mijn doen.

Porters dragen soms wel 80 kg op hun rug!

Onze laatste nacht op de trek brengen we door in Phakding en de dag erna lopen we in één stuk door naar Lukla. Al tijdens de jeeptocht naar Salleri en Kharikola hebben we besloten NIET ook terug de jeep te nemen; dit keer gaan we lekker decadent vliegen. Het laatste stuk lopen naar Lukla moeten we ineens flink omhoog stappen en ik had écht gehoopt dat dat hier, op een luttele 3000 meter, als een zonnetje zou gaan. Niet als de oververhitte yak die ik inmiddels ben, met m’n tong uit m’n bek in de overlevingsmodus. Beetje jammer.

In Lukla aangekomen, lopen we regelrecht naar het vliegveld om onze vlucht te checken die we op het schaarse beetje wifi in Namche hadden geboekt; de bevestiging hadden we nog niet binnengekregen toen de wifi ons eraf gooide. Het vliegveld is heel klein en chaotisch: precies wat ik me erbij had voorgesteld. Je loopt zo binnen en even later staan we in het kantoortje van de luchtvaarthotemetoot om onze namen op een lijst te checken. Hoera, we staan erop! ‘You want to Kathmandu?’ vraagt de man, die ook wel ziet dat we naar Ramecchap zouden vliegen. ‘Is possible?’ vraagt Jona, in Engels dat een Nepalees ook begrijpt. Twee weken geleden hoorden we namelijk dat er geen directe vluchten tussen Kathamndu en Lukla plaatsvonden, dus dat iedereen via een alternatieve luchthaven zou moeten vliegen, om vanaf daar nog vier uur in de bus naar de hoofdstad zitten. Directe vlucht, yes please! De man knikt, opent een format, vult overduidelijk nepnamen in op een lijst en print ons ticket uit. We weten niet wat hij heeft gedaan, behalve dat hij iets in het systeem heeft moeten omzeilen om onze vlucht om te boeken. Hij krabbelt iets onleesbaars op ons ticket en zegt dat we hier morgenochtend om 8.30 uur moeten zijn. Top!

‘We hebben een nieuwtje… WIJ GAAN TROUWEN!’ *laat de ring zien*. EINDELIJK kunnen we het vertellen! De wifi is niet top, maar geeft precies genoeg MB’s af om een semi degelijke videoverbinding te leggen met onze ouders, broers en zussen. ZO LEUK! Nu voelt het pas echt ECHT! Iedereen reageert natuurlijk superleuk dus opnieuw zweven wij rond op zo’n gezellig, blij wolkje. Verder zijn de prijzen in Lukla alweer echt een verademing vergeleken met hogerop en we eten weer heerlijk momo’s en samosa’s. De truc is om niet het leuke cafeetje te kiezen, maar het smoezelige gordijn. Daarachter bevindt zich vaak een ruimte die deels keuken, deels eetkamer is, waarbij je toekijkt hoe je momo’s (voor een prikkie) worden gestoomd. Lekker!

Om 8.30 uur melden we ons netjes op de luchthaven, om daar vervolgens nog zo’n vier uur te moeten wachten. Ons mannetje van gisteren is druk in de weer met andere vluchten en geeft ons elke keer als hij ons ziet een teken van: ‘ga maar even zitten’, of ‘ik kom zo’, of ‘nog even geduld’. Geduld heb ik al niet sinds 1997, maar oké. Uiteindelijk mogen we dan met de laatste vlucht van de dag mee naar Kathmandu. We presteren het ook nog om als allerlaatsten in te stappen, met als resultaat dat ik ineens een plekje voorin het minivliegtuig moet innemen op de middelste stoel. Door een doorzichtig zeil kijk ik zo met m’n snufferd de cockpit in. Ik, die nog nooit in zo’n klein vliegtuig heeft gezeten en dit niet zo stiekem heel spannend vind, ben ineens een soort copiloot! Het vliegen zelf gaat eigenlijk vrij soepel. Ja, het schommelt wat meer, maar niet op een enge manier. Het probleem is dat ik dus meekijk op de vooroorlogse monitoren in de cockpit. Eén van de piloten is met pen en papier de logboeken aan het bijwerken en de ander drukt (voor mijn gevoel) achteloos op wat knopjes, terwijl ik kijk naar een rood knipperend scherm, met daarop de tekst: TERRAIN AHEAD. Crashen we straks in een berg?! Brrrrr, dit is toch niks voor mij man! Dus de rest van de reis lees ik maar gewoon mijn boek. Dat lijkt me verstandiger voor iedereen.

En nu zijn we weer in Kathmandu! De vrienden zijn ook bericht en we stouwen ons weer ongegeneerd vol met momo’s. Heerlijk! Tot de volgende!

Een gedachte over “Verloving, Voeten & Vliegtuig

  1. Wow, weer een mooie uitgebreide blog en weer zo geschreven alsof je er bij bent. Op de asvaltzolen en het legovliegtuigje na weer onwijze ervaringen rijker. Take care love birds en geniet van alles! Liefs van ons! xXx

    Like

Plaats een reactie