Nepal

Stof, Schijtebroek & Slurf

Kathmandu is weer als vanouds druk en ongecontroleerd. De taxi die we vanaf het vliegveld delen met twee andere toeristen zet ons nog voor we het centrum inrijden eruit. De chauffeur maakt met een hoop handgebaren duidelijk dat hij zich echt niet in die mayham gaat wagen. Dus lopen we met onze backpacks eerst naar het hostel waar we nog een tas met de rest van onze spullen (inclusief schilderij) hebben achtergelaten. Er was hier geen privékamer beschikbaar en voor het geld waarvoor je in Kathmandu een eigen kamer krijgt, ga ik niet op een slaapzaal met zes snurkende hippies. En dat was een goede keuze want het hotel waarin we uiteindelijk terecht komen, is heerlijk rustig en de douche is warm! Hoera! Tijd voor momo’s!

De dag erna lichten we ook al onze vrienden in over het heugelijke nieuws (DAT WIJ GAAN TROUWEN!) en we spenderen uren aan het beantwoorden van lieve berichtjes en reacties. We eten nog meer momo’s, doen veel dutjes en boeken een bus voor morgen naar Chitwan. Kathmandu is oké en het eten is goedkoop, maar één dag in deze stofbende is wel genoeg.

Chitwan is een dorpje in de jungle van Nepal. JUNGLE? Really, Wen? Ja, ik vind dit dus ook een ding. Maar Jona is er zo over te spreken en hij kent inmiddels mijn vieze-beesten-standaarden goed genoeg om te beoordelen of ik het ook leuk ga vinden. En hij denkt dat dit heel anders is en dat ik het wel aan kan. Nou oké… ik ga wel naar die jungle van je, maar m’n scepsis komt ook mee.

De bus vertrekt zoals altijd weer achterlijk vroeg, waardoor we het ontbijt van het hotel mislopen. Jammer, want dat was voor de verandering gewoon simpel en lag niet als een baksteen op de maag, zoals de ontbijtbuffetten waar je met de bus stopt. Alles is aardappel en frituur en curry en heel pittig. Dus ik loop even verderop en koop een banaan bij een fruitstandje. Beter. Hoewel ik weer in een heftige reistablet-trance ben, hoor ik wel dat de chauffeur al na tien minuten aangeeft dat we weer verdergaan. We hebben blijkbaar nogal haast dus zit Jona naast me in de bus een samosa weg te werken. Het reistabletje was weer niet voor niets, want de wegen in Nepal, zelfs hoofdwegen zoals deze, zijn bar. Dit hele land is zo ongeveer gebouwd op een berg en dat resulteert in een hoop stenen en een hoop stof overal. De stenen steken op de meest onverklaarbare plekken uit het wegdek en we hobbelen weer een eind heen. Het stof is alomtegenwoordig en waar de berm groen zou moeten zijn, is deze eigenlijk overal zo’n matachtig grijsgroen. Zoals de kleur die iedereen op z’n muur heeft.

Na een uur of zes komen we aan op onze bestemming: een stoffige parkeerplaats. Ik ben blij verrast wanneer er direct een vriendelijk mannetje op ons afstapt en zegt dat hij ons komt halen; hij hoort bij het hotel dat we hebben geboekt. Nou ja, fantastisch! We rijden zo’n tien minuten door Chitwan naar ons hotel en ik moet zeggen: het lijkt nog in niks op de jungle die ik ken. Mijn type jungle (het type dat ik HAAT) is felgroen, nat, tropisch heet en de muggen vreten je op waar je bij staat. Hier is het wel erg warm, maar droger. De planten en bomen zijn wat minder kleurrijk (altijd toch weer dat stof), maar staan wel in bloei. Jona heeft al een paar keer eerder in dit hotel gezeten en ik begrijp helemaal waarom hij hier wel terug wilde komen. Behalve de grote kamers en het gezellige restaurant, kijk je vanaf de veranda uit op wat ze hier de jungle noemen: een brede rivier met aan de overkant een grassige weide, omheind door bos. En daar in het bos zitten de wilde dieren. Niet alleen maar Bambi en Poemba, maar echt OLIFANTEN en NEUSHOORNS en TIJGERS! WOW. Hoe cool! En hoe eng!

Maar voordat we het over die dieren hebben, wil ik eerst de aandacht vestigen op de fantastisch lieve mensen die hier werken. De eigenaar is een super aardige man met een welvarend buikje en een bijna verlegen lach. Hij komt ons elke dag zo’n drie keer vragen hoe het gaat en of we iets nodig hebben, of hij komt gewoon even met z’n handen in z’n zakken bij onze tafel staan om een praatje te maken. Super vriendelijk! Maar dan… de kers op de taart… de slurf op de olifant… pfoe, als ik zijn naam nu eens had kunnen onthouden (in my defense, het was heel moeilijk en Nepalees en hij zal onze namen ook vast niet meer weten)… Het mannetje van het restaurant! Zodra we aankomen lopen, verandert zijn glimlach in een brede grijns en begint hij enthousiast te zwaaien. “Yes, please. Hello. Come again. Please. Please. Yes. See you later, okay, yes. Please.” Ik heb nog nooit iemand zo vaak ‘please’ horen zeggen als deze beste man. Super aandoenlijk. Elke keer als hij zo zoet (en oprecht!) lacht, wil ik hem het liefst een knuffel geven. Wij zijn in totaal vijf dagen in Chitwan en ik heb hem nog nooit niet zien werken én nog nooit minder dan vrolijk gezien. Bij het ontbijt staat hij al vanaf 6.30 uur klaar om ons thee te brengen (“please”) en als Jona meer pannenkoeken wil, heeft hij dat allang voor hem besteld. Zo lief. Overigens wordt Jona hier als een soort koning behandeld, omdat hij hier dus al voor de derde keer komt. De eigenaar zegt dat hij hem zich herinnert, hoewel ik dat betwijfel, maar daardoor lijkt het wel alsof ze ALLES voor hem doen. En ik hoor bij hem dus ik geniet diezelfde behandeling. Maar wel continu vragen waar ‘mister’ is, als ik even in m’n eentje op de veranda zit.

Vanaf die veranda heb je natuurlijk niks te vrezen van het wild, dus we gaan het opzoeken in de jungle zelf. Ik vind dit in beginsel al erg spannend en dom, want we gaan ook nog eens te voet. Waarom zou je dat jezelf aandoen, kun je je afvragen. Ten eerste wordt dat hier als optie aangeboden, naast de jeepsafari en de safari op olifantrug. Dat laatste vinden we erg zielig en de jeepsafari is zo “gewoontjes”. Ten tweede is Jona dus al een paar keer op deze ‘walking safari’ gegaan en raakt hij er niet over uitgepraat: het spoorzoeken, alle neushoorns die hij heeft gezien en vooral de neushoorn die hun groep toen bijna had aangevallen. Wauw. Ja, echt, superleuk. Laten we gaan!

In alle vroegte (half 7) lopen we over het strandje langs de rivier naar het bootje dat ons zal overvaren. Onze groep bestaat uit een Frans stel dat de hele tocht niks zegt en twee heel grote Britse jongens van begin twintig. Eén van hen is een bijzonder groot exemplaar van boven de twee meter. Hij heeft een grappig hoofd met blond haar en flaporen en zijn platvoeten zijn gestoken in schuiten van schoenen. Ergens ben ik al opgelucht door zijn aanwezigheid, want met zo’n figuur erbij trekken we vast niet al te enge dieren aan. O nee, het doel van de tour is natuurlijk dat we hópen dieren te zien… De groep wordt begeleid door twee gidsen en ze heten allebei Sorochi. Beiden zijn het magere Nepalese jongens met een vriendelijk gezicht en een bamboestok als wapen. Ze voelen zich in ieder geval zelf erg gesterkt en cool door de stok, maar ik heb mijn twijfels over de effectiviteit ervan tegen de stalen huid van een neushoorn.

We lopen een paar honderd meter het bos in en staan dan stil om de regels van de tour door te nemen. Of nee, niet regels, maar adviezen: wat te doen als welk dier je aanvalt. Ik spits m’n oren angstig. De vier gevaarlijkste dieren die we tegen kunnen komen zijn de wilde olifant, de neushoorn, de beer en de Bengaalse tijger. Bij een neushoorn is het van belang dat je zigzaggend wegrent, omdat hun massieve lijf niet zo snel van koers kan wisselen tijdens het rennen. De tijger moet je in zijn ogen blijven kijken en langzaam achteruit lopen tot hij hopelijk op je uitgekeken raakt. Dit klinkt in mijn oren heel erg als het zien van een grizzly beer en dat is negen van de tien keer linke soep. Bij de beer die we hier tegen kunnen komen, moeten we een groep vormen en veel geluid maken. Dan jagen we hem wel weg. En bij de olifant is het ieder voor zich: rennen en duik maar in een bosje, hoop maar dat zijn ziek grote poot niet op je gaat staan. Oké… en nu gaan we lopen! Superchill gevoel, maar niet heus. Ik denk terug aan de PCT, waarbij de aanval van een beer het gevaarlijkste scenario was, terwijl dat hier dus als “minst eng” wordt gezien. Ik ben geneigd om heel luidruchtig te gaan lopen en hard te praten zodat we geen dieren zullen tegenkomen, maar dat is natuurlijk niet de bedoeling. Ook wordt dit nog eens extra de kop in gedrukt door de gids omdat dan 1. de kleinere dieren zoals apen en herten schrikken en wegrennen en 2. de grote dieren ons misschien gaan volgen. BRRRR NEE BEDANKT!

Terwijl we lopen geef ik mezelf even op m’n donder dat ik hier ben. Wij mensen zijn ook maar arrogant ook hè, om zo het territorium van deze bizarre dieren binnen te treden. Ik denk persoonlijk dat we ze ook heel erg onderschatten. We hebben eerder al ‘tamme’ olifanten zien lopen in het centrum van Chitwan met een persoon op hun rug. Deze olifanten zijn getemd en worden getraind om toeristen of goederen te vervoeren, dus je weet dat ze je niet zullen aanvallen. Maar man, wat zijn ze groot en indrukwekkend en majestueus. Soms lijken ze wel nep, zo bijzonder zijn ze. Ik denk ook terug aan de olifanten die ik in Zuid-Afrika heb gezien en ben opnieuw verwonderd over de schoonheid en het groteske karakter van deze oerdieren. OERdieren, dus. Dit zijn letterlijk de grootste zoogdieren die nog over zijn ter wereld en als wij mensen niet allemaal van die valse manieren hadden om dieren in toom te houden, zouden ze ons zonder pardon vermorzelen. Dus ja, laten we de WILDE variant opzoeken. SUPERGOED IDEE.

Na een halfuur houden we even halt om vogels te kijken. Dat vind ik wel leuk. We hebben nog geen grote dieren gezien, maar Jona heeft wel al een bloedzuiger op zijn buik en bij mij zit er één op mijn broek. Bleuhh. De rest van de tocht lopen we dus met shirt in de broek en sokken over de broekspijpen, want die bloedzuigers zijn blijkbaar erg hardnekkig en zoeken elk stukje blote huid op dat ze kunnen vinden. Even verderop klimmen we een uitkijktoren in die eng wiebelt op zijn voegen, maar die mij wel even doet ontspannen. We zien nog steeds geen grote dieren, maar houden allemaal schichtig de horizon in de gaten. In de toren zit al een Israëlische groep die absoluut geen acht slaat op de omgeving en rustig een joint rookt. Lijkt je dat nu echt verstandig, ja? Je zintuigen verdoven terwijl je omringd wordt door moordlustige dieren met als beschermer een kleine Nepalees met een stok? Moeten zij weten, maar wij slaan het aanbod om ook een trekje van de joint te nemen af.

We lopen lange stukken door de heiden en bamboebossen in de hitte en zien diverse vogels, apen met rode konten en hertjes. Geen eng dier nog. Wel zien we heel veel pootafdrukken: grote, ronde sporen van de olifant, kleinere, hoefachtige vormen van de neushoorn en katachtige klauwen van de tijger. In het hoge gras om ons heen zien we allerlei ‘natuurlijke’ paden, gevormd door het lichaam van een neushoorn die zich een weg probeerde te banen door het hoge gras. Bij elke opening verwacht ik een grijze vriend te zien, maar ze houden zich allemaal gedeisd. Tot… DAAR! In de verte staat er één, zo pardoes op het pad! Hij staat met zijn kont naar ons toe en we kluiten ons samen om hem allemaal zo goed mogelijk te kunnen zien. Terwijl ik gefascineerd naar dit grote beest kijk, vraag ik me kort even af hoe we in godsnaam zouden moeten zigzaggen op dit smalle pad. De neushoorn heeft gelukkig absoluut geen zin om ons aan te vallen, of te erkennen wat dat betreft, en schuifelt rustig verder over het pad om vervolgens weer het gras in te duiken.

WE ZAGEN EEN NEUSHOORN! Toch wel heel erg cool. Ik ben blij dat we het dier hebben gezien en dat hij in een vredelievende staat verkeerde. We lopen door en af en toe blijft de voorste gids staan om te luisteren. Ik hoor letterlijk niks dan vogels en krekels, maar hij schijnt een extra ontwikkeld zintuig te hebben óf hij doet erg belangrijk. Eén keer steekt hij zijn bamboestok in de grond, trekt hem eruit en ruikt aan het uiteinde. “I smell tiger”. Oké… Ik weet gewoon niet echt wat ik daarmee moet. Dan staat hij stil en kijkt ons ernstig aan, terwijl hij twee stenen in zijn hand neemt. “We go in wild elephant place. They eat here. Stay close”. Hier weet ik wel wat ik mee moet: paniekeren. WAAROM BEN IK HIER? We lopen door hoge bamboeplanten en zien hier en daar grote, platgelopen plekken waar de olifanten hebben staan grazen of doorheen zijn gebanjerd. Ik houd Jona’s hand stevig vast, want ik vind dit echt heel eng en ik hoop maar dat we niks tegenkomen. En we komen ook niks tegen. Zeven kleuren voor niks gescheten.

Tijd voor de lunch! Om één of andere reden hebben we een ander pad genomen dan normaal, want in plaats van in een uitkijktoren, lunchen we… op de grond. Midden op het pad om precies te zijn. De gids heeft een aantal grote bladeren van een plant getrokken en legt ze neer bij wijze van kussens. Ja, hoi! We zijn NET door olifantgebied gelopen, nu zitten we in het bos met… weet ik veel… beren, tijgers, neushoorns, apen, van alles? En wij moeten hier nu gaan zitten eten? Wat is dit? Schoorvoetend ga ik toch maar zitten, want ik wil ook niet het enige staande doelwit zijn, maar ik hou m’n oren gespitst en eet niet zo veel. Wel ben ik even goed afgeleid door een bloedzuiger die ik op mijn enkel ontdek. Goor. We nemen voor het eerst vandaag even de tijd om met de groep te kletsen en dat is wel gezellig. We leren hier wel dat de gidsen allebei twee weken gidstraining hebben gehad en dat ze nog steeds elke dag leren. Fijn. Dat hoor ik graag.

We gaan weer verder en ik ben iets meer ontspannen. We hebben tenslotte nog weinig gezien én we gaan bijna terug. Hoera, juich ik tegen mezelf. De gidsen doen nog steeds veel spooronderzoek en zijn vooral op de tijgersporen gefixeerd. Jona zei dat ze daar drie jaar geleden nog maar weinig acht opsloegen omdat de kans dat ze een tijger zouden zien miniem was. Gisteren kwamen de gidsen echter super enthousiast bij ons in het hotel vertellen dat ze er één hadden zien lopen. Ze hadden er twee uur op moeten wachten met de groep, maar daar liep hij dan, het pad overstekend weer terug het hoge gras in. Dat klinkt dan weer helemaal niet zo interessant of gevaarlijk. Nu zijn ze dus volledig geobsedeerd, alsof het de nieuwste, best attractie is van de jungle. Alsof mensen geen genoegen meer zouden nemen met neushoorns. Even later komen we aan bij een stenen uitkijktoren, waarvan de eerste verdieping nog geen vloer heeft, alleen balken. De hele toren zit al vol met toeristen en gidsen en het is bijna lachwekkend treurig om te zien. Dus hier hebben ze gisteren TWEE uur zitten wachten om een glimp op te vangen van DE TIJGER. Sorry, maar dit is toch echt wel een beetje suf. Ik kan haast niet geloven dat we hier echt zo lang gaan zitten. Maar jawel! Of nou ja, anderhalf uur uiteindelijk. Geen tijger te zien en de ene na de andere groep druipt af. Zodra de gids eindelijk wenkt dat ook wij er vandoor gaan, heb ik 50 pagina’s van m’n boek, dat ik toevallig bij me had, gelezen en heeft Jona liggen dutten in het gras. Met zo veel mensen is het absoluut niet spannend om EVENTUEEL een tijger te zien, dus dat durfde hij prima.

Nu ben ik niet meer bang. Hoewel de schemer bijna valt en de dieren dan zogezegd weer uit hun siësta’s ontwaken, heeft de tijgertoren me zo versuft dat de angst compleet is verdwenen. Het leuke is dat we ook ineens nog wat toffe dieren zien: meer van de roodkontige apen, een wild zwijn (waarvan Jona dacht dat het misschien een baby neushoorn was) en, jawel… nog meer neushoorns! Drie stuks zelfs, badderend in het meer. Ver weg wel, maar met de verrekijker goed te zien. Als de tour alleen dit laatste uur had bestreken, had ik het denk ik veel leuker gevonden. Jona vindt ook dat het erg is veranderd ten opzichte van drie jaar geleden. Veel meer tijgergericht en minder interactief spoorzoeken. Nou ja, we hebben weer 10,5 uur gelopen en 19 km op de teller.

En WIE… ligt DAAR bij terugkomst met z’n dikke bilpartij te dobberen in het water voor ons hotel: EEN NEUSHOORN. Zo dichtbij! Gewoon, daar! Ik had gewoon op de veranda moeten gaan zitten en wachten, want hij ligt daar gewoon! Wat bizar! En heel cool! En maar een piepklein beetje frustrerend. Nee, eigenlijk gewoon heel droog. Ook de volgende dag, waarop we lekker in het zonnetje ons ontbijtje nuttigen, zien we waarschijnlijk ditzelfde bakbeest weer lopen. Dit keer steekt hij doelbewust de rivier over en nestelt zich even in het gras aan de overkant, tegenover ons hotel. Ook zien we in de verte, bij de bomen, ineens een wilde olifant staan! Gewoon, lekker z’n ding aan het doen daar in de bosrand. Helemaal niet eng of intimiderend of aanvallend, maar heerlijk op veilige afstand. Zo kan ik wél echt genieten van de dieren, want wauw, wat gaaf dat ze hier gewoon zo lopen, terwijl ik m’n theetje drink. Beter!

Chitwan is echt een heel relaxte plaats, als je dus uit de jungle vandaan blijft. Het is warm, maar in de schaduw heerlijk vertoeven en, als je gelukt hebt, heb je een live schouwspel van de jungle bewoners. Ook stappen we nog een dagje in een tuktuk om naar de olifanten sanctuary te gaan. Hier worden olifanten gefokt en getraind. In het bijgevoegde museumpje (een kamertje waar niemand komt met wat posters aan de muur en een grote olifantenschedel in het midden) wordt uitgelegd hoe ze de olifanten trainen, en dat voelt allemaal wel een beetje dubbel. Natuurlijk ben ik van mening dat alle dieren eigenlijk gewoon alleen in het wild zouden moeten bestaan en vrij moeten zijn om te gaan en te staan waar zij willen, maar blijkbaar vielen de olifanten nog wel eens dorpen binnen om eten te zoeken. ‘s Nachts staan de olifanten in de sanctuary daarom aan een ketting en overdag gaan ze de natuur in. Ik heb heel veel meningen hierover, maar het is nu eenmaal zo. We lopen het museum weer uit en zien dan de olifanten in kwestie uit de jungle terugkeren: de meeste hebben een berijder, maar er zijn ook heel veel kleintjes bij. De baby olifanten zijn harig en enthousiast en spelen met elkaar. We kijken hoe één een steen oppakt met zijn slurfje en die in z’n mond steekt. Dan maakt hij wat kokhalsbewegingen en ik denk echt even dat hij zo voor onze ogen stikt. Zodra ik iemand wil roepen, reikt hij met zijn slurf in zijn keel en haal de steen er weer uit. Fjuuw. Dat had toch wel zuur geweest.

We zijn weer helemaal ontspannen en tot op het bot opgewarmd, dus het is tijd om de jungle weer te verlaten. De hotel staff is zo lief dat ik het moeilijk vind om afscheid van ze te nemen en ik hoop dat mijn beloftes hier weer eens terug te keren niet loos zullen zijn. Please.

Op naar Pokhara, en van daaruit op naar ons tweede bergavontuur: het Annapurna Circuit! Stay tuned!

3 gedachten over “Stof, Schijtebroek & Slurf

  1. Wat geweldig om te lezen en wat een prachtige foto’s ook! Heel waardevol om zo mee te kunnen genieten van jullie fantastische reisverhalen. Prachtige jungle, met dito imposante dieren. Wederom erg genoten van jullie recente ervaringen! We kijken altijd weer uit naar de volgende 🙂 stay safe & enjoy! Liefs van ons XxX

    Like

Geef een reactie op carla Reactie annuleren